Printer-friendly version

Heeft Jezus De Doop Voor De Doden Ingesteld?

Heeft Jezus De Doop Voor De Doden Ingesteld?

By:
 

De Kerk van Mormon beweert dat haar tempelritueel van de doop voor de doden is ingesteld door Jezus Christus en behoorde tot het eerste christendom. Zij verwijzen hierbij naar 1 Korintiërs 15, 29, de enige bijbelse verwijzing naar dit gebruik, om hun bewering te staven. Het vers is als volgt: ‘Wat hebben trouwens zij die zich voor de doden laten dopen hieraan? Als er helemaal geen doden verrijzen, waarom laten zij zich dan nog dopen voor hen?’

"Het feit dat deze vermelding van het ritueel door Paulus hiervan geen ondersteuning is, wordt duidelijk door de onpersoonlijke manier waarop hij melding maakt van degenen die deze rite praktiseren."

Baptismal Font

Mormoons Doopvont

Mormoons Doopvont

Zelfs de Encyclopedia of Mormonism (een in 1992 gepubliceerd werk onder verantwoordelijkheid van het Quorum van de Twaalf Apostelen van de Kerk van Mormon1) geeft toe dat dit de enige verwijzing is naar deze bijbelse rite: ‘Hij (Paulus) verwijst naar een rite van plaatsvervangend doopsel, een praktijk waar we geen ander bewijs voor hebben noch in een tekst van Paulus of enig ander Nieuw Testamentisch geschrift, noch in vroeg-christelijke teksten.2

In dit vers is de rite duidelijk slechts genoemd, het is geen leer. De context moet geraadpleegd worden om de mening van de apostel te begrijpen. Het thema van 1 Korintiërs 15 is de opstanding van het lichaam als een centrale leer van het christelijk evangelie. Binnen de Korintische gemeenschap waren er enkelen die dit centrale leerstuk van het geloof ontkenden (vers 12).

Hiertegen brengt Paulus een aantal argumenten in stelling om de redelijkheid van de leer aan te tonen. Zijn vermelding van de doop voor de doden in vers 29 is er één in deze rij van argumenten voor de opstanding. Het is de bedoeling van de apostel om de logische tegenstrijdigheden aan te tonen van hen die de verrijzenis ontkennen, maar wel deelnemen aan een rite, het doopsel voor de doden, dat immers gebaseerd is op de hoop op de verrijzenis. Ironisch genoeg omhelst de Encyclopedia of Mormonism precies deze uitleg van dat vers: “…Paulus verwijst duidelijk naar een bepaalde groep binnen de kerk, een groep die hij beschuldigt van tegenstrijdigheid tussen ritueel en lering.3

Het feit dat deze vermelding van het ritueel door Paulus hiervan geen ondersteuning is, wordt duidelijk door de onpersoonlijke manier waarop hij melding maakt van degenen die deze rite praktiseren: ‘Wat hebben trouwens zij die zich voor de doden laten dopen hieraan? Als er helemaal geen doden verrijzen, waarom laten zij zich dan nog dopen voor hen?’ Als deze rite werkelijk deel uitmaakte van de apostolische leer, mogen we verwachten dat hij gezegd zou hebben ‘wat zullen wij doen…’ of ‘wat zullen jullie doen…’4

Het is opmerkelijk dat de apostel in vers 30-32 meteen de (waarschijnlijk christelijke) randgroepering die de doop voor de doden practiseert, scherp afzet tegen de brede christelijke gemeenschap: ‘En wijzelf, waarom zouden wij ons ieder ogenblik aan gevaren bloot stellen…wat baat het mij als de doden niet verrijzen?’ Ja, op alle andere plaatsen spreekt Paulus zijn lezers met ‘jij’ aan (vv. 1,2,3,11,12,14,17,31,34,36,51,58), of (inclusief hemzelf), ‘wij’ of ‘ons’ (vv. 3,15,19,30,32,49,51,52).

Het is duidelijk van Romeinen 9, 1-3 en 10, 1-4 dat de apostel Paulus zich zeer goed bewust was van het feit dat velen van zijn eigen joodse bloedverwanten zich buiten de schoot van het Evangelie bevonden. Er zullen er zeker ook binnen zijn eigen uitgebreide familie geweest zijn die zonder doopsel begraven werden. Als Paulus de doop voor de doden onderwezen had, zoals de Kerk van Mormon beweert, is het onverklaarbaar dat hij zichzelf buiten gesloten had van degenen die het ritueel praktiseerden; wat hij zeker doet als hij schrijft: ‘wat zullen zij doen die gedoopt zijn voor de doden?’

Maar zou de apostel Paulus een ritueel dat hij afkeurt (doop voor de doden) gebruiken om iets te ondersteunen dat hij wil bevestgigen (de verrijzenis)? Na grondig onderzoek blijkt dit bezwaar veel minder gegrond te zijn dan op het eerste gezicht lijkt:

  • Allereerst, Paulus heeft deze rite al geassocieerd met een randgroepering. Dus had het daarom al geen goed aanzien en behoefde het dus geen speciale weerlegging.
     
  • Ten tweede, de geschiedenis heeft het geïnspireerde oordeel van de apostel in ruime mate bevestigd. Het ritueel van de doop voor de doden is in feite nooit verbreid geraakt.
     
  • Ten derde, de bewering van de apostel in het eerste hoofdstuk van 1 Korintiërs: ‘Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen’ (1,17), is een herinnering dat niet de doop maar het geloof in Christus essentieel is voor verlossing. Dit is een indirecte slag voor de logica van de doop voor de doden, want dat impliceert toch dat het doopsel essentieel is. (We kunnen in 1, 17 ook een aanwijzing vinden dat de christenen van Korinthe de doop overwaardeerden, waardoor de ontwikkeling van dit afwijkend ritueel nader verklaard wordt.)
     
  • Ten vierde, Paulus maakt ook ergens anders gebruik van iets waar hij eigenlijk tegen is, om een theologisch punt te scoren. In 1 Korintiërs 8,10 refereert de apostel aan het eten van vlees in een tempel van een afgod, zonder er daarbij op in te gaan dat dat in zichzelf al fout is; maar dat hij ervan overtuigd is dat het verkeerd is, wordt later duidelijk in 1 Korintiërs 10, 19-21.

Conclusie: Het tempel ritueel van de Mormonen van doopsel voor de doden is niet ingesteld door Jezus of Zijn apostelen. Het is geen bijbelse of christelijke praktijk.
 



Notes

1. Zie ‘Encyclopedia of Mormonism Released’, Ensign. (maart 1992), p. 79.De Ensign is een officiële publicatie van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

2. Baptism for the Dead – Ancient Sources’, Encyclopedia of Mormonism, 4 dl. (New York: Macmillan, 1992) 1, 97.

3. ‘Baptism for the Dead – Ancient Sources’, Encyclopedia of Mormonism, 1,97.

4. In een artikel in Ensign over doopsel voor de doden (‘I have a Question’, augustus 1987, p. 19), blijkt dat Robert L. Millet probeert dit punt te verdoezelen door in 1 Korintiërs 15, 29 het voornaamwoord te veranderen van’ zij’ naar ‘wij’.